05/06/2026
‘Hoor je dat wéér? Het is half drie, Emma...’ Joris fluisterde boos, zijn stem trilde. Ik duwde het dekbed van me af en luisterde: gebonk, nu nóg harder dan gisteren. Mijn hart bonkte mee, uit frustratie en achterdocht. Aan de andere kant van onze dunne, witte muur zat buurman Willem vast weer het halve huis te verbouwen. Of hij sloeg wéér zuchtend met die deur alsof hij met ieder klap zijn eigen frustratie kwijtraakte. ‘Misschien is het deze keer écht iets ernstigs,’ mompelde ik, meer tegen het donker dan tegen Joris. Maar hij gromde alleen maar. ‘Het is elke nacht wat. Sinds we hier wonen heb ik geen oog meer dichtgedaan.’
Ik dacht aan de eerste dag dat we de deur opendeden van appartement 304. De geur van nieuwe verf, het zonlicht dansend op het parket, en Joris’ brede glimlach. ‘Hier begint ons nieuwe leven,’ had hij gezegd terwijl we onze verhuisdozen stapelden onder het raam met uitzicht op de Oudegracht. Wat voelde dat verdomd ver weg. ‘Ik wil niet de zeikerige buurvrouw zijn,’ fluisterde ik. ‘Maar dit is toch niet normaal?’
De dagen werden gevuld met onuitgesproken irritaties. Elk geluid leek harder; elk sms’je van de VvE met regels en waarschuwingen voelde als een persoonlijke aanval. Joris vond alles overdreven. ‘Rustig aan, Em. Het waait wel over.’ Maar ik zag de kringen onder zijn ogen, de spanning in zijn kaken wanneer hij thuiskwam van werk.
‘Heb jij het geluid van vannacht gehoord?’ vroeg ik een week later tegen Marije, onze buurvrouw aan de andere kant. Ze lachte ongemakkelijk. ‘Ja… Nou ja, soms hoor ik Willem wel eens, maar weet je – hij is al oud en woont hier al langer dan wij. En eerlijk? Ik probeer er gewoon niet op te letten. Anders word je gek.’
Maar ik werd wél gek. In de supermarkt vergat ik appels in te pakken, op kantoor klapte mijn laptop dicht als ik te lang staarde naar het lege apparaat voor me. Ik zag voor me hoe ik ‘s avonds weer door die kale portiek naar boven zou moeten lopen. Onze droom van samenwonen werd een dagelijkse test. De muren van 304 leken te ademen, iedere dag een stukje krapper, een beetje benauwder. Zelfs Joris sliep vaker op de bank dan naast mij.
‘Misschien moeten we er met Willem over praten,’ stelde ik schuchter voor. Joris rolde met zijn ogen. ‘En dan? Denk je dat het wat uitmaakt? Straks maakt hij het allemaal nóg erger.’ Maar in mijn hoofd klonk dat als een uitweg. Eigenlijk wilde ik alleen maar gehoord worden, door iemand.
Op een gure vrijdagavond stond ik eindelijk voor Willem’s deur. Mijn hart bonsde haast harder dan zijn geloop. Voordat ik kon kloppen, zwaaide de deur open. Zijn blik was vermoeid, maar fel. ‘Ja?’ zei hij kortaf.
‘Goeie avond, Willem. Je hebt vast niet in de gaten, maar…’ Mijn stem trilde. ‘We horen soms best veel lawaai.’
Hij snoof. ‘Wat bedoel je? Dat ik te luid ben? Dit is MIJN huis, meisje. Niemand heeft hier ooit geklaagd.’ Hij stak zijn hand op, als om mijn woorden fysiek tegen te houden. ‘Vroeger kwamen mensen gewoon even langs, zonder gezeur en papierwerk. Jullie jonge mensen zijn zo gevoelig geworden.’
‘Het gaat er niet om… Wij willen gewoon graag slapen. Het is zo gehorig. Misschien kunnen we…’
‘Misschien kunnen we allemaal wat beter ons best doen, ja?’ snauwde hij, en sloeg de deur dicht. In het trappenhuis bleef ik staan, met een kloppend hart en trillende knieën. Joris keek me later die avond aan met die blik die me steeds vaker pijn deed: wanhoop, vermoeidheid, een vleug onverschilligheid. ‘Zie je? Je had het niet moeten doen.’
📬 Het vervolg staat klaar in de eerste reactie ⬇️