Emotioneel Leven

Emotioneel Leven Emotioneel Leven inspireert je om te leven met gevoel, liefde en bewustzijn. Elk verhaal raakt het hart.

11/09/2026

De eerste maandag nadat Henk met pensioen was, zette hij om half tien koffie voor ons allebei. Niet bijzonder, zou je zeggen. Hij had zelfs croissantjes gehaald bij de bakker, terwijl hij normaal vond dat dat weggegooid geld was.

Ik zat met mijn laptop aan de eettafel, mijn tas al half ingepakt voor kantoor. Ik werk drie dagen per week als praktijkondersteuner bij een huisartsenpraktijk in Amersfoort. Al ruim twintig jaar, eerst als doktersassistente en later in deze functie. Het is geen baan waar je rijk van wordt, maar ik ben er goed in. Ik ken veel patiënten al jaren. Soms kom ik thuis met een hoofd vol verhalen die ik eigenlijk niet mag doorvertellen, maar die me wel bijblijven.

Henk keek naar mijn tas en zei: “Dus dit is dan ons nieuwe ritme.”

Ik vroeg wat hij bedoelde.

“Nou, jij weg en ik hier. Ik dacht gewoon… misschien kunnen we de maandagen anders doen. Samen wandelen of zo.”

Ik zei dat ik op maandag werkte. Dat wist hij natuurlijk. Hij had mijn rooster jarenlang op de koelkast zien hangen.

Hij knikte alsof hij het vergeten was, maar zijn gezicht betrok. Dat moment is me bijgebleven, juist omdat ik toen nog dacht: hij moet gewoon even wennen.

Henk is 64 en heeft veertig jaar bij dezelfde installatiegroothandel gewerkt. Eerst in het magazijn, later als planner. Hij klaagde vaak over zijn werk, over het gedoe met jonge collega’s die volgens hem na twee uur al moe waren en over managers die nooit zelf een busje hoefden uit te laden. Maar toen zijn regeling rond was en hij stopte, viel er iets weg waar hij blijkbaar veel meer aan had gehad dan hij wilde toegeven.

De eerste weken was hij nog bezig. De schuur werd opgeruimd, de tuin kreeg ineens strakke randen, en hij heeft drie keer de fietsen helemaal uit elkaar gehaald terwijl er niets aan mankeerde. Hij maakte lijstjes. Een museumjaarkaart. Een elektrische fiets. Misschien een camper huren voor een paar weken in het voorjaar.

Ik vond het oprecht leuk voor hem. We hebben altijd hard gewerkt. Toen de kinderen klein waren, draaiden we langs elkaar heen. Ik werkte minder uren, Henk deed overwerk als dat kon, en er was altijd wel iets: een kapotte wasmachine, ouderavonden, mijn moeder die hulp nodig had toen mijn vader overleed. We zeiden vroeger vaak: “Later hebben we tijd.”

Alleen bedoelden we daar blijkbaar niet hetzelfde mee.

Voor Henk betekende later dat we eindelijk veel samen zouden zijn. Voor mij betekende het dat ik over drie jaar zonder onrust kon stoppen, als ik daar zelf klaar voor was. Ik wil nog niet iedere ochtend thuis wakker worden met het idee dat de dag ingevuld moet worden omdat hij anders zo lang duurt.

Mijn werk is niet alleen werk. Dat klinkt misschien overdreven, maar het is wel zo. Ik drink koffie met collega’s, ik overleg, ik leer nog steeds dingen. Ik heb patiënten die binnenkomen met een klacht en eigenlijk alleen willen zeggen dat hun man vorige week is overleden. Of dat ze bang zijn voor de uitslag van een onderzoek. Ik hoef de wereld niet te redden, maar ik voel me daar nodig. En eerlijk is eerlijk: ik vind het ook fijn dat er een plek is waar ik niet alleen Henks vrouw, de moeder van Daan en Marije, of de oma van twee kleinkinderen ben. Daar ben ik gewoon Ria.

Henk begon steeds vaker te vragen of ik echt niet een dag minder kon werken. Eerst vriendelijk.

“Je hoeft het toch niet voor het geld te doen?”

Dat klopt deels. We redden het. We hebben geen hypotheek meer en we leven niet heel luxe. Maar mijn salaris gaat ook naar dingen waar ik niet afhankelijk voor wil zijn: mijn eigen rekening, cadeautjes voor de kleinkinderen, een weekendje met mijn zus, gewoon het gevoel dat ik niet voor elke uitgave hoef te overleggen.

Later werd het minder vriendelijk.

Als ik thuiskwam, vroeg hij soms al in de gang hoe laat ik morgen klaar was. Dan had hij iets bedacht. Fietsen langs de Eem. Naar de markt in Utrecht. Een proefles padel, waar ik helemaal geen behoefte aan had. Als ik zei dat ik na een werkdag liever even rustig wilde koken en daarna op de bank wilde zitten, trok hij zich terug.

Niet met geschreeuw. Dat zou bijna makkelijker zijn geweest. Hij werd stil. Ging boven iets doen. Of zei: “Laat maar, ik snap het al.”

Dan voelde ik me schuldig en ging ik alsnog mee, terwijl ik onderweg merkte dat ik geïrriteerd raakte om dingen waar Henk eigenlijk niets aan kon doen. Dat hij langzaam fietste omdat hij overal wilde kijken. Dat hij bij een terras meteen een tafel in de zon uitkoos. Dat hij vroeg of ik het nou gezellig vond, waardoor ik juist dacht: nu even niet.

Onze dochter Marije zei een keer aan de telefoon dat hij misschien gewoon een pensioendip had. Zij heeft twee kleine kinderen en een baan van vier dagen, dus ik vond het bijna grappig dat zij ons advies gaf over vrije tijd. Maar ze zei ook: “Mam, pap moet zelf weer iets opbouwen. Jij kunt toch niet zijn hele dagvulling worden?”

Daar was ik het mee eens. Totdat ik Henk op een woensdagmiddag in de woonkamer zag zitten. De televisie stond aan zonder geluid. Hij keek niet eens. Buiten regende het zo’n dunne, vervelende regen. Ik dacht ineens aan hoe vaak hij vroeger thuiskwam en ik nog met van alles bezig was. Misschien had ik hem toen ook wel als vanzelfsprekend beschouwd.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

11/09/2026

De foto op mijn telefoon is genomen op een camping in de Ardèche, denk ik, in 1998. Theo staat erop met een veel te korte zwembroek en een plastic glas rosé in zijn hand. Marijke ligt dubbel van het lachen. Els en ik zitten ernaast, nog met donker haar, en achter ons hangen vier natte handdoeken over een lijn.

We waren toen al bijna twintig jaar bevriend. We hadden elkaar leren kennen in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, toen onze kinderen nog op de basisschool zaten en iedereen op zaterdag zelf zijn schutting beitste. Daarna is het eigenlijk nooit opgehouden. Iedere woensdag aten we om de beurt bij elkaar. Niet chic, gewoon macaroni, stamppot, soms een afhaalchinees. We gingen samen skiën in Oostenrijk, later liever naar een huisje in Drenthe omdat Theo zijn knieën minder werden. Onze kinderen vonden ons soms overdreven, die vaste vier.

“Jullie zijn gewoon één gezin met twee adressen,” zei onze dochter ooit.

Dat voelde niet eens als een overdrijving.

Toen Theo vorig voorjaar tijdens een wandeling ineens niet meer wist waar de auto stond, lachten we het eerst weg. Hij had slecht geslapen, zei Marijke. Iedereen vergeet wel eens wat. Maar er kwamen meer dingen. Hij belde mij op een dinsdagochtend omdat hij dacht dat hij zijn portemonnee bij ons had laten liggen. Die lag in zijn jaszak. Hij zette de waterkoker op het gasfornuis. Hij werd kortaf tegen Marijke, wat helemaal niet bij hem paste. Theo was altijd degene die de spanning eruit haalde, ook als er niets te lachen viel.

Na onderzoeken kwam de diagnose: beginnende Alzheimer.

Ik weet nog dat we met z’n vieren aan hun eettafel zaten. Marijke had koffie gezet die niemand opdronk. Theo keek vooral naar buiten, naar zijn eigen tuin. Hij zei op een gegeven moment: “Nou, dan word ik dus lastig.”

Niemand wist wat daarop een goed antwoord was. Els pakte zijn hand. Ik zei iets flauws over dat hij altijd al lastig was geweest. Hij glimlachte wel, maar heel even.

In de maanden erna gingen we vanzelf meer doen. Ik reed mee naar afspraken als Marijke niet alleen wilde. Els nam soms boodschappen voor haar mee. We bleven na het eten afwassen, al protesteerde Marijke daar eerst tegen. Dat voelde allemaal normaal. Je laat een vriend toch niet vallen zodra het ingewikkeld wordt.

Alleen veranderde ‘soms’ ongemerkt in bijna iedere dag.

Marijke belde vaak aan het einde van de middag. Soms omdat Theo onrustig was. Soms omdat hij naar zijn oude kantoor wilde terwijl hij al twaalf jaar met pensioen is. Soms hoorde ik vooral dat zij iemand nodig had die zei dat ze het goed deed. En dat deed ze ook. Ze was geduldig op een manier waarvan ik niet wist dat een mens het kon opbrengen.

Maar Els en ik waren net zelf met pensioen. Ik had 43 jaar bij de gemeente gewerkt, Els in het onderwijs. We hadden jarenlang gezegd: als we stoppen, gaan we eindelijk weg wanneer we willen. Niet alleen drie weken in juli, maar ook in februari naar Portugal, een paar dagen fietsen in Limburg, gewoon op maandagochtend koffie drinken in de stad zonder ergens om half twee te hoeven zijn.

Die vrijheid bleek ineens iets waar ik me schuldig over voelde.

Els zei het als eerste hardop. We zaten in de keuken, ik was aardappels aan het schillen en zij had haar telefoon naast haar bord liggen omdat Marijke mogelijk zou bellen.

“Jan, zo kan het niet blijven.”

Ik zei dat het een moeilijke fase was.

“Dat weet ik. Maar wij zijn nu ook steeds aan het wachten. Op een telefoontje, op een ongelukje, op weer iets dat Theo kwijt is. Ik ben de hele tijd gespannen.”

Ik werd boos, wat niet eerlijk was. Ik zei dat Marijke niemand anders had. Hun zoon woont in Groningen en komt heus wel, maar heeft een druk gezin en een baan. Hun dochter zit in Canada. Marijke heeft wel kennissen, maar geen mensen die Theo kennen zoals wij hem kennen.

Els keek me aan en zei: “Wij zijn geen vervanging voor thuiszorg, Jan. En ook geen opvang voor alles wat zij niet aan durft.”

Dat klonk hard. Toch bleef het in mijn hoofd hangen.

Marijke begon later voorzichtiger te vragen, maar haar vragen werden groter. Of we misschien op donderdagmiddag bij hen konden zijn, zodat zij naar yoga kon. Of we een weekend konden blijven slapen, want Theo werd ’s nachts soms wakker en dan raakte ze in paniek. Een keer zei ze, terwijl Theo boven een dutje deed: “Misschien is het handig als jullie een paar weken hier komen. Dan doen we een rooster. Met z’n vieren lukt het toch?”

Ze meende het echt. Alsof ze ons een praktische oplossing voorlegde.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

11/09/2026

Het begon met een zaterdag waarop ik eigenlijk alleen een kapotte regenpijp zou gaan bekijken.

Een oud-collega van mij, Henk, woont sinds een paar jaar bij een ecologische woongemeenschap net buiten ons dorp, in een voormalige boerderij met een stuk land erachter. Hij belde omdat het water langs de gevel liep en vroeg of ik even kon komen kijken. Ik was net drie maanden met pensioen na 41 jaar bij een installatiebedrijf. Ik had tijd genoeg, zei ik.

Die ochtend stond ik daar met mijn ladder, tussen twee kippen die steeds onder mijn voeten scharrelden. Iemand was bonen aan het doppen aan een lange tafel buiten. Een vrouw van mijn leeftijd was met een jongen van een jaar of twintig bezig om oude kozijnen te schuren. Er was geen gedoe, niemand die de baas speelde. Gewoon mensen die iets deden omdat het moest gebeuren.

Ik bleef tot na de lunch. Niet omdat die regenpijp zo ingewikkeld was, maar omdat ik me voor het eerst in maanden niet nutteloos voelde.

Thuis zei Marijke: "Je bent laat. Ik dacht dat je misschien een lekdak aan het bouwen was in plaats van een regenpijp te repareren."

Ze lachte erbij, maar ik merkte dat ze wilde weten waar ik geweest was. Ik vertelde over de tuin, de gezamenlijke maaltijden, de zonnepanelen die ze zelf hadden aangelegd. Zij zei dat het haar wel rustig klonk. Daarna ging ze verder met de was opvouwen.

Wij wonen al 34 jaar in hetzelfde dorp in Noord-Brabant. We kennen hier iedereen niet echt, maar wel voldoende. Onze vaste vriendenkring bestaat uit drie stellen: Jan en Ria, Koos en Ellen, en Arie en Monique. We gingen vroeger met z’n allen kamperen in Frankrijk, later werden dat huisjes in Italië of een hotelletje in Limburg. De kinderen zijn met elkaar opgegroeid. Toen mijn moeder stierf, stond Jan de ochtend van de begrafenis om half acht op de stoep om te vragen wat hij kon doen. Toen Koos een bypass kreeg, hebben we wekenlang zijn hond uitgelaten.

Dat soort vriendschap verdwijnt niet zomaar. Dacht ik.

Na die zaterdag ging ik vaker naar De Es, zo heette die woongemeenschap. Eerst één ochtend per week. Daarna hielp ik met het aanleggen van een irrigatiesysteem voor de moestuin. Ik leerde daar hoe je groente inmaakt, iets waar ik vroeger eerlijk gezegd een beetje om lachte. Ik hielp een meisje dat tijdelijk uit de jeugdzorg kwam met het opknappen van een fiets. Ze zei nauwelijks iets, maar toen die fiets reed, keek ze me aan alsof ik haar een auto had gegeven.

Ik begon minder spullen te kopen. Dat ging vanzelf. Niet omdat iemand me dat oplegde. Ik had gewoon ineens geen zin meer om voor de grap een nieuwe barbecue te bestellen omdat onze oude wat roest had. Bij De Es aten we uit de tuin, repareerden we dingen eerst en bespraken we zonder gêne wat iets kostte.

Daar ging het mis met onze vrienden, al zag ik dat eerst niet.

Tijdens een borrel bij Jan en Ria vertelde ik dat ik misschien twee dagen per week bij De Es wilde helpen. Jan had net zijn nieuwe camper laten zien. Een enorm ding, met een elektrisch bedienbaar bed en een televisie die uit een kastje omhoogkwam.

"Dus jij gaat daar nu tussen de geiten wonen?" vroeg hij.

Ik zei dat er geen geiten waren.

Iedereen lachte. Ik ook, denk ik. Maar ik voelde al dat het geen gewone grap was.

Een maand later zei Monique, terwijl ze de glazen in de vaatwasser zette, dat Marijke toch niet ook "van die kant" op ging. Ze zei het luchtig. Marijke antwoordde dat ze gewoon haar yogales bleef doen en dat ze het prima vond als ik daar plezier in had.

In de auto naar huis was Marijke stil. Pas vlak voor onze straat zei ze: "Ze doen alsof jij een besmettelijke ziekte hebt opgelopen."

Ik zei dat ze moesten wennen.

"Jij hoeft niet te wennen aan hoe zij naar mij kijken," zei ze.

Dat kwam hard aan, omdat het waar was. Ik had er vooral last van dat ze mij niet begrepen. Marijke zat nog steeds elke dinsdag bij Ria aan de koffie. Zij hoorde de opmerkingen die ik niet hoorde. Dat ik haar achterliet met mijn rare fase. Dat ik vast binnenkort ons huis wilde verkopen voor een pipowagen. Dat ik altijd al iets dramatisch in me had gehad, wat onzin is. Ik ben mijn hele leven juist degene geweest die bleef als het moeilijk werd.

In november kwam het echt op tafel. We zouden met de vriendengroep een weekend naar een hotel bij Domburg gaan, zoals we vaker deden. Ik had gezegd dat ik niet meeging, omdat er datzelfde weekend bij De Es een bouwdag was voor een nieuwe gemeenschappelijke schuur. Ik had me daar maanden eerder voor opgegeven.

Jan belde me op. Niet boos aan het begin. Hij vroeg of alles goed ging tussen Marijke en mij. Daarna zei hij dat iedereen er een beetje klaar mee was dat alles tegenwoordig om De Es draaide.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

11/09/2026

De logeerkamer staat al maanden vrijwel leeg, behalve als mijn kleindochter Noor blijft slapen. Dan liggen er knuffels op het bed en vergeet ze steevast een sok onder de stoel. Afgelopen dinsdag stond ik daar met een stapel schone handdoeken in mijn armen en keek ik ineens anders naar die kamer. Niet als Noors kamer, niet als logeerkamer, maar als de plek waar mijn broer Henk misschien binnenkort zou wonen.

Ik ben 67 en sinds vorig voorjaar met pensioen. Ik werkte jarenlang op de administratie van een installatiebedrijf in Alkmaar. Mijn man Kees is 70, voormalig buschauffeur. We wonen sinds 2018 in een dorp onder Hoorn, in een rijtjeshuis dat niet groot is, maar voor ons precies goed. Een kleine tuin, een schuurtje waar Kees aan zijn fiets prutst, en achterom ben je zo bij de supermarkt.

We hadden het eindelijk rustig. Niet op een spectaculaire manier. Gewoon rustig. Op donderdag koffie bij de markt, een paar dagen weg met de caravan als het weer een beetje meewerkt, oppassen als onze dochter daarom vraagt. We letten op ons geld, maar we hoeven niet elke euro om te draaien. Dat voelde na al die jaren werken als iets waar we recht op hadden.

Henk is vier jaar jonger dan ik. Toen we klein waren, waren we heel hecht. Onze vader was vaak weg voor zijn werk en mijn moeder had periodes dat ze nauwelijks uit bed kwam. Henk en ik regelden veel samen. Hij was degene die me op mijn zestiende van school haalde toen ik in paniek was na een ruzie. Ik was degene die hem later opving toen zijn eerste relatie stukliep.

Maar Henk is altijd ook Henk gebleven. Charmant, gul als hij net geld had, goed met mensen, maar slecht in alles wat daarna komt. Brieven openen, afspraken nakomen, op tijd huur betalen, niet te veel drinken als hij somber is. Hij heeft banen gehad, korte relaties, tijdelijke woningen. Elke keer dacht ik: nu snapt hij het. En elke keer belde hij me uiteindelijk toch weer, meestal net nadat hij eerst iedereen had weggeduwd.

De laatste jaren werd het erger. Hij heeft diabetes en deed daar weinig mee. Hij vond het allemaal overdreven gedoe. Hij miste afspraken bij de huisarts, at wat hem uitkwam en vertelde mij aan de telefoon dat hij "zich best prima" voelde. Tot hij vorige maand onwel werd in zijn flat in Purmerend. Een buurvrouw hoorde hem vallen en belde 112.

Hij heeft ruim twee weken in het ziekenhuis gelegen. Daarna werd duidelijk dat hij niet zomaar terug kon naar zijn flat. Hij is slecht ter been, moet zijn medicatie echt volgens schema gebruiken en er is thuiszorg nodig. Alleen: zijn flat is op drie hoog zonder lift. De verhuurder wil niet zomaar iets regelen en Henk zelf had al maanden een huurachterstand. Of het een officiële ontruiming wordt, weet ik niet eens precies. Hij vertelt dingen altijd half, ook als het belangrijk is.

Toen hij me vanuit het ziekenhuis belde, klonk hij kleiner dan ik hem ooit gehoord had.

"An, ik heb echt niemand. Ik kan daar niet meer naar boven. Waar moet ik heen?"

Ik zei meteen dat ik het zou uitzoeken. Dat floepte eruit voordat ik erover nadacht. Ik belde met de transferverpleegkundige, met de gemeente, met zijn woningcorporatie. Er werd gesproken over tijdelijk herstelzorg, indicaties, wijkverpleging, een aanvraag voor iets wat misschien pas over weken duidelijkheid geeft. Alles klonk als formulieren, wachttijden en terugbelverzoeken.

Kees zat er de eerste dagen vrij stil bij. Hij maakte thee voor me terwijl ik aan de keukentafel belde. Hij zei zelfs dat het goed was dat ik hielp. Maar toen ik op een avond zei dat Henk misschien voorlopig bij ons kon komen, legde hij zijn krant neer.

"Voorlopig is bij Henk nooit voorlopig, Anja. Dat weet je zelf ook."

Ik werd meteen boos. Niet omdat hij ongelijk had, denk ik. Juist omdat hij precies raakte waar ik bang voor was.

"Hij kan toch niet op straat belanden?"

"Nee," zei Kees. "Maar daaruit volgt niet automatisch dat hij hier moet wonen. Wij zijn geen zorginstelling. En jij bent zijn zus, niet zijn hulpverlener."

Dat laatste vond ik hard. Tegelijk zag ik zijn handen trillen toen hij zijn kopje optilde. Kees heeft zelf hartproblemen gehad, niet heel ernstig, maar hij moet rustig aan doen. Sinds zijn pensioen slaapt hij eindelijk beter. Hij heeft jarenlang vroege diensten gehad, weekenden gewerkt, met mensen in de bus die hem uitscholden omdat ze hun aansluiting misten. Hij wil geen gedoe meer in huis. Dat zegt hij ook gewoon.

Ik stelde voor om Henk niet alleen te laten wonen, maar een zorgcoach in te schakelen. Iemand die helpt met structuur, afspraken, boodschappen, administratie. Via de thuiszorg krijg je niet alles en Henk heeft iemand nodig die echt achter hem aan zit. Ik had al rondgekeken. Particuliere begeleiding is duur, maar misschien konden we een paar maanden overbruggen met ons spaargeld.

Daar ging Kees echt van op slot.

"Ons spaargeld?"

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

11/09/2026

Vorige maand zat ik op een dinsdagochtend met een kop thee aan de keukentafel en kreeg ik zeven meldingen achter elkaar in onze groepsapp. Niet omdat er iets ergs was gebeurd. Het ging over waar we die zaterdag zouden eten.

“Nou, Marijke?” schreef Kees uiteindelijk. “Jij weet toch altijd wel iets leuks.”

Ik heb mijn telefoon omgedraaid en ben de was gaan opvouwen. Dat klinkt kinderachtig misschien, maar ik voelde gewoon weerstand. Niet eens boosheid in eerste instantie. Meer een soort moeheid waarvan ik niet wist dat die zo diep zat.

Wij zijn met acht mensen: mijn man Henk en ik, Kees en Ria, Ton en Els, en Bert en Anja. We kennen elkaar sinds eind jaren tachtig, toen we allemaal net in onze eerste koophuizen zaten in Nieuwegein. Kleine kinderen, weinig geld, van die avonden met een pan chili en een fles wijn die iedereen te zuur vond maar toch opdronk. Later werden het etentjes, weekendjes weg, verjaardagen, Tweede Kerstdag bij de een en nieuwjaarsdag bij de ander.

Eigenlijk zagen we elkaar bijna iedere zaterdag. Niet altijd compleet, maar meestal wel. En ik was degene die dat gaandeweg regelde. Eerst omdat ik het leuk vond. Daarna omdat ik er blijkbaar handigheid in had. Ik wist wie niet tegen te veel lawaai kon, wie geen vis lustte maar daar liever geen gedoe over maakte, welke datum Ton nooit kon vanwege zijn bridgeavond en wanneer Ria op haar kleinkinderen paste.

Ik maakte lijstjes. Ik reserveerde. Ik stuurde herinneringen als niemand reageerde. Als een restaurant dicht bleek te zitten, had ik al twee alternatieven. Iedereen zei altijd: “Wat zouden we zonder jou moeten?” En ik nam dat op als een compliment.

Tot ik vorig jaar met pensioen ging.

Ik werkte 34 jaar bij de gemeente Utrecht, eerst aan de balie en later op Burgerzaken. Ik had altijd gedacht dat ik na mijn pensioen vanzelf zou gaan genieten van alle tijd. Maar in het begin gebeurde het tegenovergestelde. Mijn agenda bleef vol, alleen nu met dingen die ik kennelijk zelf moest willen. Oppassen, koffie, een ziekenhuisritje voor mijn zus, die groepsapp, de administratie van de buurtvereniging omdat ik “toch tijd had”.

Henk werkt nog drie dagen per week, maar stopt volgend voorjaar. We hadden het er al jaren over gehad: een paar weken met de trein door Duitsland, in april eens naar de Waddeneilanden als het er nog rustig is, misschien buiten het hoogseizoen naar Portugal. Niet alles dichttimmeren. Gewoon op een woensdag besluiten dat het weer goed wordt en een hotelletje boeken.

Dat past niet bij elke zaterdag beschikbaar zijn en op maandag alweer beginnen met regelen voor de volgende.

Dus heb ik het in januari rustig in de groep gegooid. Tijdens een etentje bij ons thuis, nota bene. Ik had stoofperen gemaakt en lasagne, want natuurlijk had ik weer voor iedereen gekookt.

Ik zei: “Ik wil vanaf maart stoppen met het plannen. Niet met jullie afspreken, hè. Maar ik wil niet meer degene zijn die alles trekt. Het lijkt me fijn als we een rooster maken of dat iedereen af en toe iets organiseert.”

Het werd even stil. Ik dacht nog: ze moeten gewoon wennen aan het idee.

Els zei als eerste dat zij “best wel eens iets wilde prikken”, maar dat ze door haar werk onregelmatig was. Ze werkt twee dagen in een apotheek.

Ria keek me aan alsof ik had gezegd dat we gingen emigreren. “Maar jij vindt dat toch juist leuk?”

“Vond ik ook leuk,” zei ik. “Alleen niet meer iedere week.”

Kees lachte een beetje en zei: “Ach Marijk, jij bent er gewoon goed in. Voor jou is het toch een appje en klaar?”

Dat zinnetje bleef hangen. Een appje en klaar. Alsof die veertig jaar uit één appje bestonden.

Henk zei toen: “Dan kan iemand anders het toch ook leren?” Hij bedoelde het goed, maar ik zag meteen dat de sfeer kantelde. Bert haalde zijn schouders op en zei dat het niet om leren ging, maar om “de vanzelfsprekendheid”. Anja zei dat mensen tegenwoordig al zo weinig vaste contacten hadden en dat we voorzichtig moesten zijn met wat we hadden.

Dat vond ik moeilijk, want daar had ze gelijk in. Ik wil deze mensen niet kwijt. We hebben elkaar door ziekte, ontslagen, scheidingen van onze kinderen en begrafenissen heen gesleept. Toen mijn moeder overleed, stonden zij allemaal in de regen bij het crematorium. Toen Henk een bypass kreeg, bracht Ria drie weken lang eten langs, zonder dat ik erom had gevraagd.

Maar ik dacht ook: juist daarom zou het toch niet alleen aan mij mogen hangen?

In maart heb ik niets meer gepland. De eerste zaterdag bleef het opvallend stil in de app. Op donderdag vroeg Ton: “Gaat er nog iets gebeuren?” Niemand reageerde urenlang. Uiteindelijk stelde Henk voor om gewoon bij ons een borrel te doen, maar ik heb hem onder de tafel een schop gegeven. Niet hard, maar hij begreep het.

Later zei hij thuis: “Ik probeer je te helpen.”

“Ik weet het. Maar als wij ons huis weer aanbieden, verandert er niks.”

Die zaterdag zijn we met z’n tweeën naar de film geweest. Daarna aten we patat uit een puntzak op de bank. Het was eigenlijk heel gezellig. Tegelijk voelde ik me beroerd, omdat ik steeds op mijn telefoon keek.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

11/09/2026

De vaatwasser draaide voor de tweede keer die donderdag toen ik zag dat er nog drie bierglazen op de vensterbank stonden. Buiten was het al donker. Henk zat op de bank met zijn voeten op het kleed, tevreden naar een herhaling van BinnensteBuiten te kijken, alsof er niets gebeurd was.

“Gezellig weer,” zei hij.

Ik zei niks. Ik stond met een theedoek in mijn hand naar een opgedroogd kringetje op de eettafel te kijken.

In het begin vond ik het echt leuk. We waren allebei net met pensioen. Henk had veertig jaar bij de gemeente gewerkt, ik in een verpleeghuis in de keuken. Ineens hoefde de wekker niet meer. Geen avonddiensten, geen broodtrommels, geen haast bij de voordeur. Onze kinderen wonen in Utrecht en Zwolle, hebben hun eigen levens en komen wanneer het uitkomt. Dat is prima, zo gaat dat.

Henk had al jaren een vaste club oud-collega’s en aanhang: Kees en Marjan, Ria, Theo, en sinds een paar jaar ook Wim, die na zijn scheiding alleen was komen wonen. Eerst dronken ze om de beurt ergens koffie. Maar toen wij onze serre hadden laten aanbouwen, zei Henk een keer: “Kom maar hier, we hebben ruimte zat.”

Dat werd een donderdag. Elke donderdag.

Eerst koffie met appeltaart van de supermarkt. Daarna vaak een borrel. In de zomer zaten ze tot laat onder de overkapping, met de terrasverwarmer aan zodra iemand het een beetje fris kreeg. In de winter stond de verwarming in de serre hoger, want Wim had het altijd koud. Er werd geklaverjast, voetbal gekeken, gepraat over kwaaltjes, kleinkinderen, de politiek en wie er nou weer te hard reed in de straat.

Henk glom ervan. Hij was altijd al iemand die graag mensen om zich heen had. Als hij de voordeur opendeed, hoorde ik hem zeggen: “Nou, daar zijn jullie dan eindelijk,” alsof hij een café runde waar iedereen op zat te wachten.

Ik vond het lastig om daar iets van te zeggen. Want het waren aardige mensen. Marjan vroeg heus weleens of ze moest helpen, maar dan stond ze al met haar jas aan als ze het zei. Kees bracht soms een zak pinda’s mee die vervolgens op tafel bleef staan. Ria nam één keer een bos tulpen mee, geloof ik. Dat was in maart.

Maar niemand zag de rest. Dat ik ’s ochtends al de wc schoonmaakte omdat Theo daar altijd met zijn krant naartoe ging. Dat ik extra melk haalde, blokjes kaas sneed, de voorraadkast aanvulde en na afloop de vloer dweilde omdat Wim steevast kruimels achterliet van zijn toastjes. Niemand zag ook onze energierekening, die na die koude winter ineens bijna honderd euro hoger lag dan ik had verwacht.

Nou ja, Henk zag het natuurlijk wel. Hij wilde het alleen niet zien.

Toen ik er voor het eerst iets over zei, stonden we bij de Jumbo. Hij duwde de kar en had er twee flessen port in gelegd, omdat Kees die zo lekker vond.

“Waarom kopen wij die eigenlijk?” vroeg ik. “Kees drinkt hem bijna alleen op.”

Henk keek me aan alsof ik een rare opmerking maakte.

“Hij neemt volgende keer wel wat mee.”

“Dat doet hij nooit.”

“Ach, Elly. We gaan toch niet op een paar euro’s zitten kijken?”

Het ging mij niet om die port. Maar zodra ik dat zei, klonk het inderdaad alsof het om die port ging. Dus ik zweeg weer. Ik schaamde me er zelfs een beetje voor dat ik blijkbaar zo’n vrouw werd die bijhield wie wat meebracht.

De waarheid was ook dat we het niet zó ruim hadden als Henk naar buiten toe deed voorkomen. We redden het, absoluut. We hebben geen schulden. Maar zijn pensioen viel l***r uit dan hij altijd dacht en mijn kleine pensioen erbij is ook geen vetpot. De serre, die we nog net voor zijn pensionering hadden laten zetten, betalen we nog steeds deels af. Onze kinderen weten dat niet eens precies.

Henk wilde vooral niet dat de club dacht dat wij moesten opletten op geld. Hij had altijd degene willen zijn bij wie alles kon. De man met het grote huis, de volle koelkast, de goede verhalen. Misschien klinkt dat onaardig, maar ik denk dat hij daar een stuk van zichzelf aan ontleende. Nu hij niet meer werkte, was die donderdag een beetje zijn podium geworden.

In september zei ik dat het anders moest. Niet stoppen met de groep, maar rouleren. De ene week bij ons, de week erna bij Kees en Marjan, daarna bij Ria. Iedereen heeft een huis. Niet iedereen heeft een serre, maar dat hoeft ook niet.

Henk werd boos. Niet hard schreeuwen, zo is hij niet, maar hij werd stil en strak in zijn gezicht.

“Bij Ria kan dat helemaal niet, die woont driehoog.”

“Dan drinken we daar koffie met z’n allen. Of we gaan wandelen. Het hoeft toch niet altijd hier?”

“Je maakt er iets zwaars van wat gewoon gezellig is.”

Dat raakte me meer dan ik wilde toegeven. Alsof ik de gezelligheid kapotmaakte door te benoemen wie hem mogelijk maakte.

De donderdag daarna had ik me voorgenomen mijn mond te houden. Echt. Ik had zelfs een schaal met bitterballen in de airfryer gedaan, hoewel ik daar inmiddels een hekel aan kreeg, aan dat piepje en iedereen die dan meteen naar de keuken kwam kijken.

Halverwege de middag zei Marjan lachend: “Elly, volgend jaar doen we hier toch weer de nieuwjaarsborrel? Bij ons is het zo krap met de kinderen erbij.”

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

10/09/2026

De appgroep heet nog steeds ‘Vier aan tafel’. Alsof er niets veranderd is.

Daarin staan foto’s van een te donker gebakken quiche, een uitzicht in de Ardennen, Jan die in 2018 met een veel te kleine fiets een heuvel afreed. Vroeger ging er bijna elke dag iets in rond. Nu alleen praktische dingen. “Wie heeft de reservering van zaterdag?” Of: “Ik sla deze week over.”

Mijn vrouw Marijke en ik zijn allebei 63. Jan en Els kennen we sinds onze oudste kinderen bij elkaar in groep drie zaten. Dat is inmiddels ruim dertig jaar geleden. Eerst waren het speelafspraken en koffie op woensdagmiddag. Later kwamen de jaarlijkse weekenden weg, de verjaardagen, de vaste zondagse etentjes. Onze kinderen zijn al jaren het huis uit, maar wij vier bleven over. Als ik eerlijk ben, waren zij ons sociale leven.

Els heeft al lang depressies. Niet af en toe somber, maar periodes waarin ze dagen in haar badjas op de bank zat en niet eens reageerde als je vroeg of ze thee wilde. Ze is bij de huisarts geweest, bij de praktijkondersteuner, ze heeft therapie gehad, medicijnen geprobeerd. Soms ging het een tijd beter. Dan maakte ze weer plannen, ging ze mee naar de markt, lachte ze om precies dezelfde flauwe grappen als vroeger.

En dan zakte ze weer weg.

Ik heb haar lang vooral gezien als Els, onze vriendin die ziek was. Jan zag ik als Jan, degene die alles regelde zonder dat er veel woorden aan vuilgemaakt werden. Hij deed de boodschappen, maakte afspraken, belde achter haar aan als ze niet kwam opdagen, verzon smoesjes als ze op het laatste moment een etentje afzegde. We hebben daar allemaal aan meegedaan. “Els heeft migraine.” “Ze is een beetje moe.” Soms was dat ook makkelijker dan uitleggen dat iemand niet uit bed komt omdat het leven haar te zwaar is.

Achteraf denk ik dat we Jan daardoor ook een beetje onzichtbaar hebben gemaakt.

Begin februari belde hij mij op een dinsdagmiddag. Ik stond net bij de Gamma omdat een keukenkastje bij ons scheef hing. Hij vroeg of ik even kon praten. Zijn stem klonk vlak, niet verdrietig eigenlijk. Eerder alsof hij iets voorlas wat hij al honderd keer in zijn hoofd had geoefend.

Hij zei dat hij bij Els weg wilde.

Ik weet nog dat ik naar een schap met kitspuiten keek en zei: “Weg wil?” Alsof ik hem niet goed had verstaan.

“Ja,” zei hij. “Niet een weekend naar mijn broer. Echt weg.”

Hij vertelde dat hij al maanden nauwelijks sliep. Dat hij soms in de auto bleef zitten na zijn werk, hoewel hij sinds vorig jaar nog maar drie dagen per week werkt. Dat hij bang was voor wat hij thuis zou aantreffen, maar zich ook schuldig voelde omdat hij überhaupt bang was om naar huis te gaan. Els had volgens hem al weken nauwelijks gedoucht, rekeningen ongeopend laten liggen en afspraken bij de ggz afgezegd. Ze zei steeds dat het geen zin had en dat Jan haar toch niet kon verlaten omdat ze dan niets meer had.

“Ik denk soms dat ik pas iets mag doen als zij het goedvindt,” zei hij. “Maar zij vindt nooit iets goed. Ik kan niet meer, Rob.”

Ik ben na die Gamma rechtstreeks naar hem toe gereden. Hij zat aan de keukentafel met een kop koffie die koud was geworden. Els lag boven. We spraken zacht, alsof we in een huis met een baby waren.

Jan had al met de huisarts gebeld. Er was een afspraak gemaakt voor Els en er zou gekeken worden welke hulp er opgeschaald kon worden. Hij wilde niet zomaar verdwijnen en haar aan haar lot overlaten. Maar hij wilde wel apart wonen, in elk geval voorlopig. Zijn broer had een kamer vrij. Hij zei dat hij misschien zelf ook met iemand moest praten, omdat hij zich schuldig voelde om dingen die hij nog niet eens gedaan had.

Toen kwam de vraag waar ik niet op voorbereid was.

Of Marijke en ik Els de eerste tijd konden opvangen. Niet bij ons in huis, zei hij snel, tenzij dat echt nodig was. Maar wel elke dag contact. Eten brengen. Naar afspraken mee als zij niet wilde dat hij meeging. Misschien een paar nachten bij haar slapen als zij heel slecht zat.

“Alleen tot het loopt,” zei hij.

Dat zinnetje bleef hangen. Alsof depressie ooit gewoon ‘loopt’ als je maar lang genoeg wacht.

Thuis vertelde ik het aan Marijke. Zij begon meteen te huilen. Niet hard. Ze zat met haar jas nog aan op de rand van de bank en veegde steeds onder haar bril.

“Hij kan haar toch niet alleen laten op het moment dat ze het slechtst is?” zei ze.

Ik zei dat Jan haar niet alleen wilde laten. Dat hij professionele hulp inschakelde. Dat hij zelf op was.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

Adres

Schiekade 658
Rotterdam
3032AK

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Emotioneel Leven nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Snelkoppelingen

Delen

Categorie