26/08/2026
‘Je laat me toch niet stikken, hè?’ zei Kees, en hij stond gewoon in onze keuken met zijn jas nog aan, zijn handen trillend om een halflege boodschappentas. Achter hem zag ik Marga in de auto zitten. Ze keek naar de heg alsof ze niet meer wist waarom ze daar was. Mijn man Henk zette net de koffie neer en ik voelde meteen dat er iets kantelde in de kamer.
Kees en Marga horen al meer dan dertig jaar bij ons leven. Camping in Zeeland, oudejaarsavonden, oppassen op elkaars kinderen, etentjes waarbij de stoofperen te lang op stonden en niemand daar moeilijk over deed. Marga was altijd de luidste van het stel. Aan één stuk praten, lachen, overal energie voor. En nu vergat ze de route naar de supermarkt in haar eigen wijk. Nu zette ze de waterkoker in de koelkast. Nu noemde ze mij soms ineens ‘Ankie’, terwijl ik Karin heet.
Kees ging zitten, maar eigenlijk zakte hij meer in elkaar.
‘Eén vaste dag,’ zei hij. ‘Meer vraag ik niet. Gewoon dat jullie er zijn. Dat ik even naar de fysio kan, de apotheek, of… even slapen desnoods.’
Ik zei meteen ja. Echt meteen. Het floepte eruit.
‘Natuurlijk. Dat doen we toch gewoon.’
Henk keek me aan alsof ik iets had weggegeven dat ook van hem was.
Die avond zei hij bijna niets. Pas toen we in bed lagen en ik dacht dat hij sliep, kwam het eruit.
‘Jij zei ja namens ons.’
‘Namens vrienden,’ zei ik. ‘Wat moesten we dan? Kees laten verzuipen?’
Hij draaide zich naar me toe. ‘Ik ben net drie maanden met pensioen, Karin. Drie maanden. We hadden plannen. Fietsen door Drenthe. Een week Terschelling buiten het seizoen. Gewoon… rust.’
Ik vond hem hard klinken. Maar eerlijk is eerlijk: ik vond hem ook bang klinken.
De eerste dinsdagen vielen mee. Ik dronk koffie met Marga, we maakten een wandelingetje naar het plantsoen, soms vouwde ze handdoeken op die ik expres opnieuw door elkaar haalde zodat ze iets te doen had. Kees kwam dan na een paar uur lichter terug. Bijna schuldig opgelucht.
‘Ik heb in de auto tien minuten zitten huilen,’ zei hij een keer op de oprit. ‘Van rust. Hoe erg is dat?’
Toen brak er iets in me.
Henk deed ook zijn best, in het begin. Een spelletje Rummikub, samen een broodje halen bij de bakker. Maar Marga veranderde sneller dan wij konden bijbenen. Ze wilde ineens naar ‘haar moeder’, die al twintig jaar dood was. Ze raakte in paniek als Kees zijn jas aantrok. Ze vertrouwde de magnetron niet meer en beschuldigde Henk ervan dat hij haar sleutels had gestolen.
‘Ik ben hier geen oppasser,’ beet Henk haar een keer toe, direct gevolgd door die blik van spijt die nog pijnlijker was.
Die ene vaste dag werd al gauw een extra middag. Dan een avond, omdat Kees naar de huisarts moest. Dan een zaterdag, ‘alleen deze week’. Je kent dat wel. Alleen deze week werd opeens normaal.
Ons eigen leven schoof langzaam naar de randen. De bridgeclub zei ik af. Henk mopperde op alles. Op de file richting Kees en Marga, op de kapotte senseo daar, op het feit dat er nooit gewone koffie in huis was, alsof het dáár nog over ging.
Op een zondag barstte het echt.
We zouden naar onze dochter in Zwolle. Kleinkinderen hadden een optreden. Kees belde om half negen.
‘Marga is weg. Ze is vanmorgen vroeg de straat op gelopen. De politie zoekt mee.’
Ik had mijn schoenen al aan.
‘We gaan nu,’ zei ik.
Henk bleef bij de kapstok staan. ‘Nee.’
Ik dacht dat ik hem niet goed verstond.
‘Wat bedoel je, nee?’
Het vervolg in de reacties👇💬