28/09/2026
Vorige week stond ik bij Ineke in de keuken en zag ik dat ze de vuilniszak al drie dagen naast de achterdeur had gezet. Niet omdat ze slordig is. Ineke was altijd degene die tijdens een etentje nog even de glazen afspoelde voordat ze ging zitten. Maar nu stond ze met haar jas nog aan, haar hand op het aanrecht, alsof ze niet meer wist wat ze daar kwam doen.
Henk zat in de woonkamer in zijn stoel, met de televisie veel te hard. Hij heeft Parkinson. Eerst was het een hand die trilde als hij zijn koffie inschonk. Daarna liep hij langzamer en werd hij stiller. De laatste anderhalf jaar gaat het hard. Hij valt vaker, raakt in de war als er iets in de planning verandert en sommige ochtenden krijgt Ineke hem nauwelijks uit bed.
We kennen elkaar al sinds 1984. Rob en ik woonden toen net in Amersfoort, in een huurhuis waar de verwarming het alleen deed als je tegen de radiator tikte. Henk werkte bij de gemeente, Rob bij een installatiebedrijf. Ineke en ik kregen ongeveer tegelijk kinderen. We hebben vakanties gedeeld in Frankrijk, oud en nieuw, bruiloften, begrafenissen van ouders. Jarenlang hadden we bijna geen afspraak nodig. Zaterdagmiddag koffie bij hen of bij ons, en vaak bleef het dan vanzelf eten.
Toen Rob vorig jaar met pensioen ging, zeiden we tegen elkaar dat we eindelijk eens niet alles vooruit wilden plannen. Een paar weken met de camper naar Noord-Spanje. In september misschien naar de Wadden, buiten het hoogseizoen. Gewoon op dinsdag naar de markt kunnen zonder te denken aan werk, oppassen of een vergadering.
Dat klinkt misschien klein, maar voor Rob was het groot. Hij heeft vanaf zijn zestiende gewerkt. Eerst in de buitendienst, later als uitvoerder. Altijd bereikbaar, altijd mensen die iets van hem moesten. Toen hij stopte, was hij de eerste maanden ronduit chagrijnig. Hij miste de jongens op het werk, maar vooral het gevoel dat hij nodig was. Pas sinds kort zie ik hem weer wat lichter worden. Hij fietst, rommelt in de tuin, kijkt ’s ochtends soms tot half tien in zijn badjas naar het nieuws.
Ineke belde me drie weken geleden. Niet huilend, eigenlijk nog erger: heel beheerst.
‘Zou jij eens willen nadenken of jullie misschien twee vaste dagen iets kunnen doen?’ vroeg ze. ‘Niet de verpleging natuurlijk. Maar boodschappen, een was, even bij Henk zitten als ik naar de kapper of naar de fysio moet. Hij kan niet meer alleen blijven.’
Ze zei er meteen achteraan dat ze het verschrikkelijk vond om te vragen.
Ik zei dat ik erover zou praten met Rob. Terwijl ik dat zei, voelde ik al dat het laf klonk. Alsof ik toestemming moest vragen om mijn vriendin niet te laten verdrinken.
De thuiszorg komt bij Henk ’s morgens voor de medicatie en het aankleden als het nodig is. Er is dagbesteding, maar hij wil daar vaak niet heen. Hij zegt dat hij geen kleuter is die naar een clubje moet. De casemanager heeft volgens Ineke van alles uitgelegd, maar uitleg vult geen middag wanneer iemand onrustig door het huis loopt en je zelf al drie nachten nauwelijks hebt geslapen.
Rob luisterde thuis zwijgend toen ik het vertelde. Hij was aardappels aan het schillen. Hij schilt altijd veel te dik; ik zeg daar al veertig jaar iets van en hij trekt zich er niets van aan.
‘Twee vaste dagen?’ vroeg hij uiteindelijk.
‘Ja. Misschien eerst één. Maar wel structureel.’
Hij legde het mes neer. ‘Marian, ik wil Henk echt helpen. Dat weet je. Maar twee vaste dagen is geen helpen meer. Dat is mantelzorg. En als we eenmaal ja zeggen, komen we er niet zomaar vanaf.’
Ik werd meteen boos, harder dan ik had verwacht. ‘Dus omdat het lastig kan worden, doen we maar weinig?’
‘Nee. Omdat wij ook niet ineens zijn zorgplan kunnen worden.’
Dat woord, zorgplan, maakte me nog kwader. Het klonk zo zakelijk voor iemand met wie we de geboorte van onze kinderen hebben gevierd. Ik zei dat Henk zich verloren voelde. Dat Ineke op was. Dat je na veertig jaar vriendschap toch niet zegt: sorry, we hebben een camperreis gepland.
Rob zei: ‘Je doet alsof ik wil doorrijden terwijl ze langs de weg liggen.’
👇 Het vervolg vind je in de comments!👇