Ons knusse hoekje

Ons knusse hoekje Het gezin is ons fort, liefde is onze kracht. Verhalen van onze lezers die onderwijzen en inspireren.

28/09/2026

Vorige week stond ik bij Ineke in de keuken en zag ik dat ze de vuilniszak al drie dagen naast de achterdeur had gezet. Niet omdat ze slordig is. Ineke was altijd degene die tijdens een etentje nog even de glazen afspoelde voordat ze ging zitten. Maar nu stond ze met haar jas nog aan, haar hand op het aanrecht, alsof ze niet meer wist wat ze daar kwam doen.

Henk zat in de woonkamer in zijn stoel, met de televisie veel te hard. Hij heeft Parkinson. Eerst was het een hand die trilde als hij zijn koffie inschonk. Daarna liep hij langzamer en werd hij stiller. De laatste anderhalf jaar gaat het hard. Hij valt vaker, raakt in de war als er iets in de planning verandert en sommige ochtenden krijgt Ineke hem nauwelijks uit bed.

We kennen elkaar al sinds 1984. Rob en ik woonden toen net in Amersfoort, in een huurhuis waar de verwarming het alleen deed als je tegen de radiator tikte. Henk werkte bij de gemeente, Rob bij een installatiebedrijf. Ineke en ik kregen ongeveer tegelijk kinderen. We hebben vakanties gedeeld in Frankrijk, oud en nieuw, bruiloften, begrafenissen van ouders. Jarenlang hadden we bijna geen afspraak nodig. Zaterdagmiddag koffie bij hen of bij ons, en vaak bleef het dan vanzelf eten.

Toen Rob vorig jaar met pensioen ging, zeiden we tegen elkaar dat we eindelijk eens niet alles vooruit wilden plannen. Een paar weken met de camper naar Noord-Spanje. In september misschien naar de Wadden, buiten het hoogseizoen. Gewoon op dinsdag naar de markt kunnen zonder te denken aan werk, oppassen of een vergadering.

Dat klinkt misschien klein, maar voor Rob was het groot. Hij heeft vanaf zijn zestiende gewerkt. Eerst in de buitendienst, later als uitvoerder. Altijd bereikbaar, altijd mensen die iets van hem moesten. Toen hij stopte, was hij de eerste maanden ronduit chagrijnig. Hij miste de jongens op het werk, maar vooral het gevoel dat hij nodig was. Pas sinds kort zie ik hem weer wat lichter worden. Hij fietst, rommelt in de tuin, kijkt ’s ochtends soms tot half tien in zijn badjas naar het nieuws.

Ineke belde me drie weken geleden. Niet huilend, eigenlijk nog erger: heel beheerst.

‘Zou jij eens willen nadenken of jullie misschien twee vaste dagen iets kunnen doen?’ vroeg ze. ‘Niet de verpleging natuurlijk. Maar boodschappen, een was, even bij Henk zitten als ik naar de kapper of naar de fysio moet. Hij kan niet meer alleen blijven.’

Ze zei er meteen achteraan dat ze het verschrikkelijk vond om te vragen.

Ik zei dat ik erover zou praten met Rob. Terwijl ik dat zei, voelde ik al dat het laf klonk. Alsof ik toestemming moest vragen om mijn vriendin niet te laten verdrinken.

De thuiszorg komt bij Henk ’s morgens voor de medicatie en het aankleden als het nodig is. Er is dagbesteding, maar hij wil daar vaak niet heen. Hij zegt dat hij geen kleuter is die naar een clubje moet. De casemanager heeft volgens Ineke van alles uitgelegd, maar uitleg vult geen middag wanneer iemand onrustig door het huis loopt en je zelf al drie nachten nauwelijks hebt geslapen.

Rob luisterde thuis zwijgend toen ik het vertelde. Hij was aardappels aan het schillen. Hij schilt altijd veel te dik; ik zeg daar al veertig jaar iets van en hij trekt zich er niets van aan.

‘Twee vaste dagen?’ vroeg hij uiteindelijk.

‘Ja. Misschien eerst één. Maar wel structureel.’

Hij legde het mes neer. ‘Marian, ik wil Henk echt helpen. Dat weet je. Maar twee vaste dagen is geen helpen meer. Dat is mantelzorg. En als we eenmaal ja zeggen, komen we er niet zomaar vanaf.’

Ik werd meteen boos, harder dan ik had verwacht. ‘Dus omdat het lastig kan worden, doen we maar weinig?’

‘Nee. Omdat wij ook niet ineens zijn zorgplan kunnen worden.’

Dat woord, zorgplan, maakte me nog kwader. Het klonk zo zakelijk voor iemand met wie we de geboorte van onze kinderen hebben gevierd. Ik zei dat Henk zich verloren voelde. Dat Ineke op was. Dat je na veertig jaar vriendschap toch niet zegt: sorry, we hebben een camperreis gepland.

Rob zei: ‘Je doet alsof ik wil doorrijden terwijl ze langs de weg liggen.’

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

28/09/2026

"Dus ik mag hier ook al niet meer veilig zijn?"

Marlies stond in mijn hal met haar weekendtas nog in haar hand. Haar wangen waren rood, haar ogen waterig van boosheid of verdriet, ik wist het niet eens meer. Achter haar keek Kees strak naar de kapstok, alsof hij ineens heel geïnteresseerd was in mijn regenjas. En naast mij zei mijn man, Henk, op een toon die ik bijna niet herkende: "Anja, doe nou niet zo hard."

Hard.

Dat woord kwam binnen alsof ik iets verschrikkelijks had gedaan. Terwijl ik alleen maar had gezegd dat ik niet wilde dat Marlies voortaan "wat vaker" bij ons zou slapen, zoals ze het noemde. Wat in de praktijk natuurlijk betekende: als ze zich onrustig voelde. Als de avonden te lang waren. Als ze bang werd van haar eigen hoofd.

We kennen elkaar al sinds 1983. Twee stellen, bijna altijd samen. Kamperen op de Veluwe, wandelen in Limburg, kaarten op vrijdagavond, een wijntje met blokjes kaas en veel te harde grappen van Kees. Alles ging vanzelf tussen ons. Geen gedoe over geld, geen scheve verwachtingen. Gelijkwaardig, luchtig, warm.

Tot twee jaar geleden.

Toen begon het bij Marlies met kleine dingen. Afspraken vergeten. De weg naar de supermarkt ineens verwarrend vinden. In paniek raken als Kees te lang wegbleef. Geen grote diagnose met sirenes erbij, maar wel genoeg om hun leven stilletjes te veranderen. De arts noemde het een beginnende chronische aandoening die haar geheugen en prikkelverwerking aantastte. "We moeten leren omgaan met onzekerheid," zei Kees toen nog dapper.

Maar het omgaan kwam vooral bij mij te liggen.

Eerst was het klein. Of ik elke ochtend even wilde bellen, zodat Marlies op gang kwam. Later of ik mee kon naar de markt, omdat ze onrustig werd van drukte. Daarna of ik haar wilde helpen met een weekplanning, de post ordenen, lijstjes maken, meegaan naar de kapper, even blijven eten, nog een kop thee dan, ach en kon ik morgen ook?

Ze vroeg nooit om wondzorg of medicijnen. Het was juist dat andere. Dat onzichtbare. Aanwezig zijn. Structuur zijn. Rust zijn.

En ik deed het. Natuurlijk deed ik het. Je laat een vriendin van veertig jaar niet zitten omdat jij eindelijk met pensioen bent en een middagje wil lezen in de tuin.

Maar ergens begon ik op de klok te leven.

Als de telefoon om half negen ging, voelde ik mijn schouders al omhoog trekken. Als ik een appje van Marlies zag met: "Ben je thuis?" kreeg ik een steek in mijn buik. Ik loog soms dat ik weg moest, alleen maar om twee uur stilte te hebben. Daarna zat ik met schuldgevoel op de bank, alsof ik iets van haar had afgepakt.

Henk vond dat ik overdreef.

"Ze vraagt geen wereldwonder," zei hij laatst aan de eettafel. "Ze is ziek, Anja. We hebben het hier niet over een buurvrouw die even wil kletsen. Dit zijn Kees en Marlies. Onze mensen."

Ik legde mijn vork neer. "Onze mensen? Ik ben inmiddels drie ochtenden per week daar. En als ik een middag voor mezelf wil, voel ik me een slecht mens. Vind jij dat normaal?"

Hij haalde zijn schouders op. "In deze levensfase doe je dat voor elkaar. Wat moeten ze anders?"

Daar schrok ik misschien nog wel het meest van. Dat hij het zei alsof mijn tijd automatisch beschikbaar was. Alsof mijn rust een luxe was, geen noodzaak.

Vorige maand ging het mis. Marlies had een slechte avond gehad. Kees moest de volgende ochtend vroeg naar het ziekenhuis voor eigen onderzoek, iets met zijn hart. Ze zaten allebei erdoorheen. Begrijpelijk. Echt.

Dus zaten ze bij ons aan tafel. De sperziebonen werden koud. Marlies friemelde aan een servet en zei zacht: "Misschien is het goed als ik af en toe hier slaap. Gewoon één of twee nachten. Dan is Kees ook ontlast. En bij jou word ik rustig, An."

Ik voelde Henk naast me al knikken voordat ik iets had gezegd.

En ik... ik bevroor.

Want ik zag het meteen voor me. Een logeertas in de gang. Mijn avonden niet meer van mij. Altijd rekening houden. Altijd beschikbaar moeten zijn. Niet één keer helpen, maar een systeem worden waar iemand anders op leunt.

"Dat wil ik niet," zei ik.

Veel te direct misschien. Maar het was eruit.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

28/09/2026

Ik heb afgelopen vrijdag mijn weekendtas weer leeggehaald zonder dat hij de gang uit is geweest. Twee spijkerbroeken terug in de kast, toilettas terug op de plank in de badkamer, de wandelschoenen onder de kapstok. Marijke stond met haar jas nog aan bij de keukenstoel en zei: „Ik kan dit niet meer, Kees.”

Dat zei ze niet hard. Juist dat zachte maakte het erger.

We zouden drie nachten naar een huisje bij Dwingeloo gaan. Niet bijzonder luxe, gewoon een boshuisje dat we vorig najaar al hadden geboekt. Even weg na een winter waarin alles om ziekenhuisafspraken, boodschappenlijstjes en telefoontjes had gedraaid. Op donderdagmiddag belde Els: Henk had een slechte nacht gehad. Hij was duizelig, misselijk en in paniek geraakt omdat hij dacht dat de uitzaaiingen sneller gingen dan de artsen hadden gezegd.

Henk heeft longkanker. Sinds januari weten we dat het niet meer om beter worden gaat. Je zegt die woorden dan tegen elkaar, maar eigenlijk weet niemand wat je daarna moet doen.

Els belde niet letterlijk met de vraag of we wilden afzeggen. Ze zei alleen: „Ik weet gewoon even niet hoe ik dit weekend door moet.” En daarna hoorde ik haar ademhaling. Zo’n geluid dat iemand probeert niet te huilen omdat huilen ook weer energie kost.

Marijke keek mij aan en knikte al voordat ik iets zei. We hebben het huisje geannuleerd. We zouden vrijdagmiddag naar Henk en Els gaan, zaterdag de boodschappen en de was doen, en zondag bij hen eten zodat Els niet hoefde te koken.

Dat klinkt misschien logisch. En een deel van mij vindt het nog steeds logisch.

Henk en ik kennen elkaar sinds 1989. We werkten allebei bij de gemeente, hij bij beheer openbare ruimte en ik op de salarisadministratie. Niet bepaald dezelfde wereld, maar we rookten toen allebei buiten achter het gebouw. Van die kleine sigaren van Henk, die hij jaren geleden gelukkig heeft laten staan. Hij kon geweldig zeuren over kapotte straatverlichting en tegelijk de eerste zijn die op vrijdag een rondje gaf.

Els en Marijke leerden elkaar kennen op onze eerste gezamenlijke barbecue. Daarna ging het vanzelf. Eerst kamperen in Frankrijk met de kinderen klein, later stedentrips, elke woensdag om en om eten. Kerst vierden we meestal met z’n vieren op tweede kerstdag. Toen mijn moeder in het verpleeghuis zat, nam Els me mee om gordijnen uit te zoeken voor haar nieuwe kamer, terwijl ik daar zelf niet meer toe kwam. Toen Henk drie jaar geleden zijn knie liet vervangen, heb ik maanden zijn volkstuin bijgehouden. We zijn niet zomaar kennissen die af en toe een koffie drinken.

Misschien is dat juist waarom ik niet zag hoe snel het scheef trok.

In het begin deden we dingen die vanzelfsprekend voelden. Marijke reed Els naar het ziekenhuis als ik moest werken. Ik haalde medicijnen op bij de apotheek. We maakten een appgroepje, alleen met ons vieren, voor afspraken en praktische zaken.

Na een paar weken ging die app de hele dag door. Om half acht ’s ochtends: of ik vandaag misschien de vuilnisbak buiten kon zetten. Om elf uur: een foto van een plekje op Henks arm, met de vraag of wij vonden dat ze de huisarts moest bellen. ’s Avonds laat berichten van Henk zelf. Soms alleen: „Ben je wakker?”

Ik voelde me een ro**ak als ik niet meteen reageerde. Dus reageerde ik wel. Ook als we net op de bank zaten. Ook als mijn dochter Sanne met de kleinkinderen langskwam. Ook als Marijke eindelijk eens een boek probeerde te lezen zonder op te schrikken van haar telefoon.

Els slaapt slecht. Dat begrijp ik echt. Henk is soms boos, soms bang en soms doet hij alsof er niets aan de hand is en wil hij ineens de schuur opruimen. Zij vangt alles op. Maar op een gegeven moment belde ze mij ook voor dingen die ze eigenlijk met Henk of de thuiszorg moest bespreken. „Jij kent hem toch,” zei ze dan.

Alsof ik hem beter kende dan zij. Of alsof ik daardoor verantwoordelijk werd.

De thuiszorg komt een paar keer per week, de huisarts weet ervan, en hun zoon woont in Amersfoort. Die komt ook, maar niet vaak. Hij heeft een druk gezin, zegt Els. Ik zeg daar niets van, want ik weet niet hoe het daar precies zit. Maar ik merkte wel dat wij steeds meer de gaten dichtliepen.

Twee weken geleden had Marijke een afspraak bij de cardioloog voor controle. Niets acuut, maar ze heeft vorig jaar hartritmestoornissen gehad en ziet tegen zulke afspraken op. Terwijl we in de wachtkamer zaten, belde Henk drie keer. De vierde keer nam ik op. Hij wilde dat ik langs zou komen omdat de televisie het niet deed.

Ik zei dat we in het ziekenhuis waren.

Hij zei: „O ja. Nou, laat maar.” Op die toon van iemand die zegt dat het niet uitmaakt, maar duidelijk wil dat je je schuldig voelt.

Marijke zei in de auto terug dat ze zich soms een bijzaak voelde in haar eigen leven. Ik werd boos op haar, wat ontzettend laf was. Ik zei dat Henk doodziek was en dat zij dat toch ook wel begreep. Ze keek alleen uit het raam. Thuis heb ik sorry gezegd, maar dat blijft dan toch ergens hangen.

Toen we het weekend afzegden, kwamen Henk en Els die vrijdagavond bij ons eten. Henk was mager geworden, zo snel dat ik er nog steeds van schrik. Hij had een schoon overhemd aan en deed zijn best om normaal te praten. Over voetbal, over de buurman die zijn coniferen te hoog laat worden. Een tijdje was het bijna als vroeger.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

28/09/2026

Ik heb lang gedacht dat het vooral irritatie was. Zoiets wat wel overwaait als je elkaar een paar dagen wat meer met rust laat. Maar afgelopen dinsdag zat ik aan de keukentafel met mijn laptop open, tussen de rekeningen en een halflege mok koffie, en toen wist ik: dit gaat niet meer alleen over die reis.

Erik stond achter me en zei nogal opgewekt dat hij de eerste aanbetaling al had gedaan. Zes weken Portugal en Spanje, in september en oktober. Met de hele club, of in elk geval met de acht mensen die meteen hadden toegehapt. Huurauto's, appartementen, een paar nachten in een pousada die volgens hem "echt prachtig" was. Hij liet foto's zien van een terras met olijfbomen.

Ik zei eerst niets. Ik zag vooral de datum: 12 september.

Op 15 september begint bij de voedselbank altijd de drukste periode. Ik draai daar nu bijna vier jaar mee, op woensdagmiddag en soms extra als er mensen tekort zijn. Niet omdat ik zo nodig onmisbaar wil zijn, maar ik heb daar mijn plek gevonden. Ik ken de vaste gezichten, weet wie geen auto heeft en wie liever pas komt als het rustiger is. Bovendien werk ik nog drie dagen bij de huisartspraktijk. Mijn contract loopt volgend jaar pas af.

"Je hebt toch nog genoeg verlof?" vroeg Erik.

Alsof hij het over een vergeten potje jam had.

Hij is sinds januari met pensioen. Hij werkte veertig jaar bij de gemeente, eerst buiten bij groenvoorziening en later als voorman. De eerste weken thuis waren eigenlijk best gezellig. Hij maakte koffie als ik vroeg weg moest, ging wandelen, ruimde eindelijk de schuur op. Ik gunde hem die rust ook echt. Hij heeft altijd hard gewerkt en de laatste jaren zorgde hij daarnaast veel voor zijn moeder.

Maar na een maand begon het.

Eerst wilde hij op dinsdag naar het museum met Henk en Marja. Toen een lunch met Kees en Annelies, want die konden toevallig. Daarna een fietstocht op donderdag. En iedere keer zei hij: "Ga je mee?" Niet dwingend, althans niet in zijn stem. Maar als ik nee zei, kwam er iets achteraan. Dat ik nooit tijd had. Dat we elkaar straks alleen nog bij het maandelijkse etentje zagen. Dat hij dacht dat we juist méér samen zouden gaan doen nu hij vrij was.

Die maandelijkse etentjes zijn er al sinds 1985. We waren toen eind twintig, sommige nog zonder kinderen, anderen net verhuisd naar de nieuwbouwwijk hier in Amersfoort. We hebben elkaars banenwisselingen, scheidingen, bruiloften en begrafenissen meegemaakt. Niet altijd even intensief, maar het diner op de eerste zaterdag van de maand bleef. Soms bij iemand thuis met veel te veel eten, soms bij de Griek, vroeger ook weleens met alle kinderen erbij. Nu zijn het meestal acht of tien man aan tafel en gaat het over kleinkinderen, knieprotheses, verbouwingen en wie er weer naar de camping in Frankrijk gaat.

Ik hou van die mensen. Dat is het vervelende. Als ik ze niet mocht, was dit veel eenvoudiger.

Alleen: voor Erik lijkt de groep sinds zijn pensioen bijna zijn agenda, zijn ritme, misschien ook zijn bewijs dat hij nog ergens bij hoort. Dat begrijp ik wel. Hij mist zijn collega's meer dan hij had verwacht. Hij zegt steeds dat hij niet zo'n man wil worden die hele dagen in zijn eentje naar klusprogramma's kijkt. Daar heeft hij gelijk in. Maar ik wil niet dat zijn oplossing betekent dat ik elke lege middag van hem moet opvullen.

Toen ik naar die boeking keek, vroeg ik: "Waarom heb je dit niet gewoon met mij besproken voordat je betaalde?"

Hij ging op de rand van de tafel zitten. "Dat heb ik toch gedaan? We hadden het erover bij Annelies thuis. Je zei dat Portugal je wel leuk leek."

Dat klopte ook, een beetje. We hadden erover gepraat tussen het hoofdgerecht en de koffie. Ik had gezegd dat ik Lissabon graag eens wilde zien. Ik had niet gezegd dat ik zes weken weg wilde, midden in mijn werkperiode, met twee auto's vol bekenden en een schema waar blijkbaar al over gestemd was in een groepsapp waar ik niet eens in zit.

"Ik zei dat Portugal leuk leek," zei ik. "Niet dat je namens mij zes weken vakantie mocht vastleggen."

Hij werd toen stil, maar niet op een goede manier. Hij keek naar de vloer, zoals hij doet als hij zich aangevallen voelt.

"Je maakt het wel heel groot, Sofie. Ik dacht gewoon dat je blij zou zijn. We kunnen dit betalen. We zijn gezond. Iedereen vindt het geweldig. En jij zegt altijd dat je later geen spijt wilt hebben dat je alleen maar gewerkt hebt."

Dat laatste vond ik gemeen, juist omdat ik het ooit zelf heb gezegd. Na het overlijden van mijn vader, geloof ik. Maar het was ook niet helemaal onwaar. Ik ben goed in mezelf nuttig maken. Op mijn werk, bij de voedselbank, bij mijn zus als er iets geregeld moet worden. Misschien weet Erik dat ik daardoor moeilijk nee zeg tegen verplichtingen, en dacht hij dat hij me een duwtje moest geven.

Toch voelde het niet als een duwtje. Het voelde alsof hij alvast besloten had wie ik in deze nieuwe fase moest zijn: zijn reismaatje, de vrouw die altijd beschikbaar is omdat hij dat nu eindelijk ook is.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

28/09/2026

De groepsapp heet nog steeds ‘De Vier Musketiers’, al heeft niemand van ons ooit iets met musketiers gehad. Hij is ooit aangemaakt door Frank, omdat we tijdens een weekend in Limburg steeds kwijt waren wie de boodschappen zou doen. Inmiddels staat er van alles in: foto’s van kleinkinderen, de uitslag van de biljartclub van Frank, berichten over kapotte knieën, een recept voor stoofperen van mijn vrouw Els.

En de laatste maanden vooral plannen.

Afgelopen dinsdag zag ik bij het wakker worden al twaalf ongelezen berichten. Ik lag nog in bed, Els sliep naast me, en ik voelde meteen zo’n lichte druk op mijn borst die vroeger hoorde bij te laat op kantoor komen. Terwijl ik sinds vorig jaar juist niet meer hoef te werken.

Frank had een link gestuurd naar een reis naar Noord-Italië. Tien dagen. Met een bus, wijnproeverijen, elke ochtend een excursie en drie gezamenlijke diners. ‘Dit is echt óns soort reis’, had hij erbij gezet. Daarna drie duimpjes en een bericht van Marijke: ‘Nu boeken, anders zitten we straks weer overal achteraan.’

Ik heb mijn telefoon omgedraaid en ben naar beneden gegaan om koffie te zetten.

We kennen Frank en Marijke al veertig jaar. Ik was destijds net begonnen bij de gemeente in Amersfoort, Els werkte nog in de verpleging. Frank zat bij een installatiebedrijf en Marijke gaf les op een basisschool. We woonden in dezelfde straat, in van die net opgeleverde huizen waar iedereen ongeveer even weinig geld had en de tuinen nog uit zand bestonden.

Onze kinderen groeiden bijna als neefjes en nichtjes op. We gingen met twee tenten naar Frankrijk, later met te grote huurhuisjes waar altijd wel een bed doorzakte. Toen onze zoon Ruben op zijn negentiende een motorongeluk kreeg, stonden Frank en Marijke dezelfde avond bij ons op de stoep. Frank zei nauwelijks iets. Hij zette gewoon een tas boodschappen op het aanrecht en bleef bij mij zitten totdat Els uit het ziekenhuis belde.

Toen Marijke borstkanker kreeg, reden wij om beurten mee naar het Meander. Els ging met haar mee naar de pruikenwinkel, wat Marijke achteraf verschrikkelijk vond, maar toen wilde ze per se niet alleen. Dat soort dingen vergeet je niet. En ik wil ze ook niet vergeten.

Misschien is dat juist waarom het nu zo ongemakkelijk voelt.

Frank en Marijke zijn allebei sinds twee jaar met pensioen. Ze bloeien ervan op, echt. Frank zit in het bestuur van de wijkvereniging, organiseert een wandelgroep en heeft een plan om met een paar mensen een buurtmoestuin te beginnen op een stuk grond achter het oude schoolgebouw. Marijke helpt bij de taalmaatjes en heeft inmiddels meer afspraken dan toen ze werkte.

Ze noemen het zelf ‘niet achter de geraniums verdwijnen’. Daar ben ik het ook mee eens. Alleen: ik wil helemaal niet achter geraniums verdwijnen. Ik wil soms gewoon na het ontbijt de krant uitlezen zonder dat er om half elf een appje komt met de vraag of ik vanavond mee vergader over een fietstocht in het voorjaar.

Mijn laatste jaren bij de gemeente waren druk. Reorganisaties, minder mensen, steeds weer een nieuw systeem dat zogenaamd alles eenvoudiger maakte. Ik heb lang gedacht dat ik na mijn pensioen vanzelf weer energie zou krijgen. Maar de eerste maanden merkte ik vooral hoe moe ik eigenlijk was. Niet ziek-moe. Gewoon vol.

Els heeft daar meer begrip voor dan ik had verwacht. Zij werkt nog twee ochtenden per week in een hospice, omdat ze daar zelf voor kiest. Verder schildert ze weer. Niet goed, zegt ze altijd, maar ze is er uren mee bezig aan de keukentafel en dan is ze rustig.

‘Je hoeft niet overal een reden voor te hebben,’ zei ze laatst toen ik twijfelde over die reis. ‘Je mag ook gewoon geen zin hebben.’

Dat klinkt eenvoudig. Maar bij Frank en Marijke voelt geen zin hebben bijna als een karakterfout.

Het begon niet eens met Italië. Eerst was er het idee van Marijke om onze gezamenlijke geschiedenis vast te leggen. Veertig jaar vriendschap, vier gezinnen, inmiddels zeven kleinkinderen. Ze wilde een boek maken, geen professioneel boek, maar een mooie map met verhalen en foto’s. Dat vond ik op zich een aardig idee.

Alleen werd het al snel groter. Er moesten interviews komen met de kinderen. Oude dia’s digitaliseren. Maandelijks samenkomen om hoofdstukken te bespreken. Frank kende iemand van de historische kring die misschien kon helpen met vormgeving. Marijke had het over een presentatie in het buurthuis, ‘voor familie en mensen die ons kennen’.

Toen ik zei dat ik best eens oude foto’s wilde uitzoeken, maar niet elke maand een vaste avond wilde reserveren, werd het stil aan tafel.

Marijke roerde in haar thee en zei: ‘Maar juist samen terugkijken is toch het mooie ervan?’

Ik zei dat ik dat niet ontkende. Ik zei ook dat ik tegenwoordig niet zoveel meer vast wilde zetten in mijn agenda.

Frank keek me aan alsof ik had gezegd dat ik voortaan alleen nog met vreemden om wilde gaan.

‘We vragen toch niet veel, Arjen?’ zei hij.

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

28/09/2026

Ik stond vorige week met een emmer sop op de trap, terwijl ik allang wist dat ik daar niet meer hoorde te staan. Niet omdat ik zelf niet meer naar boven kan, ik ben 68 en red me nog prima, maar omdat Ellen beneden op de overloop stond te roepen dat ik voorzichtig moest doen. Ze klonk boos, maar ik hoorde vooral de schrik eronder.

Ellen is 66. Ze heeft artrose in haar heupen en sinds afgelopen winter ook last van haar handen. Potjes opendraaien lukt soms niet. De tuinbroek aantrekken is ineens een heel project. Ze zegt nog steeds vaak: "Ach, het gaat wel." Maar ik zie hoeveel tijd alles kost. Douchen, aankleden, boodschappen uitpakken. En ons huis is groot. Te groot misschien al jaren, alleen hadden we daar nooit zo naar gekeken.

We wonen al 34 jaar in een vrijstaand huis aan de rand van Zutphen. Vier slaapkamers, een flinke tuin, een garage die vol staat met spullen waarvan ik al twintig jaar denk dat ik ze nog eens ga uitzoeken. Ik heb bij de technische dienst van de gemeente gewerkt, Ellen in de thuiszorg. We hebben nooit exorbitant geleefd. Geen verre reizen ieder jaar, wel sparen, hypotheek aflossen, doorwerken. Dit huis was ons plan voor later. Ruimte voor kleinkinderen, Kerst met iedereen aan tafel, een plek waar onze dochter altijd kon binnenlopen.

Alleen zijn die kleinkinderen er niet gekomen. Onze dochter, Maud, is 38 en woont in Utrecht. Ze heeft een zoontje van zeven, Boris, met haar ex. Ze hebben co-ouderschap, al komt het er in de praktijk vaak op neer dat Boris extra bij haar is. Haar werk bij een evenementenbureau is wisselend. Het ene moment werkt ze avonden en weekenden, het andere moment is er ineens weinig. Sinds haar scheiding, nu drie jaar geleden, is ze vaker op ons gaan leunen. Dat zeg ik niet verwijtend. Tenminste, ik probeer het niet verwijtend te zeggen.

Wij halen Boris soms van school als Maud vastloopt. Ellen gaat met hem naar de tandarts als Maud een vergadering heeft die "echt niet verzet kan worden". Ik heb vorig jaar twee keer naar Utrecht gereden omdat haar auto weer eens kuren had. Maud belt ook gewoon om te praten. Soms drie kwartier over haar ex, haar geldzorgen of een collega die haar dwarszit. Ellen neemt altijd op, ook als ze net ligt te rusten.

Dat is ons kind. Natuurlijk doe je dat.

Maar ergens is het verschoven. Niet van de ene op de andere dag. Maud rekent erop dat wij beschikbaar zijn, en wij rekenen erop dat we het nog wel trekken. Totdat Ellen na een middag met Boris twee dagen nauwelijks haar stoel uitkwam. Of totdat ik op zaterdag de heg stond te snoeien en dacht: als ik nu van dat trapje val, ligt Ellen hier alleen met haar telefoon in haar hand en kan ze niet eens goed de achterdeur openmaken voor de ambulance.

Via een kennis zijn we gaan kijken bij een nieuw seniorencomplex in Deventer. Geen verpleeghuis, dat wil ik er nadrukkelijk bij zeggen. Gewoon ruime appartementen, lift, restaurant beneden als je daar zin in hebt, fysiotherapie in het gebouw en zorg die je kunt inschakelen als het nodig is. Ellen keek eerst wat sceptisch. Ze vond het te netjes, zei ze. Alsof iedereen daar op zachte schoenen liep.

Maar in het appartement op de derde verdieping bleef ze lang bij het raam staan. Je keek uit over bomen en een stukje van de IJssel. De badkamer had geen drempel. De keuken was kleiner dan die van ons, maar alles zat binnen handbereik.

In de auto terug zei ze: "Ik zou daar misschien weer zelf naar de winkel durven."

Dat zinnetje is bij mij blijven hangen.

We hebben Maud pas verteld dat we serieus wilden verkopen toen we al twee keer waren wezen kijken. Misschien was dat niet netjes. Zij vond in ieder geval van niet.

Ze kwam op een zondag met Boris. We hadden koffie en appeltaart, zo'n middag waarop je normaal over niks bijzonders praat. Ik zei dat we ons huis waarschijnlijk in het voorjaar in de verkoop zouden zetten.

Maud keek alsof ik had gezegd dat we naar Canada gingen emigreren.

"Maar waarom dan?" vroeg ze. "Jullie wonen hier toch goed?"

Ellen legde uit over haar heupen, de trap, de tuin, de badkamer boven. Maud knikte wel, maar ze luisterde volgens mij vooral om tegenargumenten te verzamelen.

"Ik kan vaker komen," zei ze. "Echt. Als het om boodschappen gaat of schoonmaken, dat kunnen we regelen. En Boris vindt het hier zo fijn. Hij heeft hier zijn eigen kamer."

Ik zei dat het niet alleen om schoonmaken ging. Dat we niet wilden wachten tot er iets gebeurde. Dat we juist nu nog zelf wilden kiezen, in plaats van straks onder druk naar een plek moeten waar we niet voor gekozen hebben.

Toen zei ze, harder dan nodig was: "Dus ik moet voortaan met Boris in een appartement gaan zitten als we langskomen?"

Boris zat op dat moment met zijn Lego op het vloerkleed. Hij keek even op en ging toen door met een brandweerauto.

Ellen werd stil. Ik ook, eerlijk gezegd. Want daar zat natuurlijk iets in. Dit huis is ook zijn vaste plek. Hij kent de kast met spelletjes, de appelboom, de rare vlek op de muur van toen Maud als kind met stiften had geknoeid. Alleen: we kunnen ons hele leven toch niet laten bepalen door een mogelijke logeerpartij eens per twee weken?

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

28/09/2026

Vorige week stuurde Marijke een foto in onze WhatsApp-groep. Vier glazen wijn op een terras in Tavira, de zon erop, erbij alleen: “Eerste inspectiedag gehad.”

Ik heb er een hartje onder gezet. Kees niet. Dat zag ik meteen, wat belachelijk is, want we zijn allebei 64 en ik zou inmiddels beter moeten weten dan de blauwe vinkjes en reacties van mijn man in de gaten houden. Maar zo is het geworden tussen ons vieren: je leest in alles iets.

Met Henk en Marijke zijn we al bevriend sinds 1986. Kees werkte toen bij een installatiebedrijf, Henk bij de gemeente. Marijke en ik hadden allebei kleine kinderen en troffen elkaar bij zwemles op zaterdagmorgen. Eerst dronken we koffie na afloop, later gingen we kamperen in Frankrijk, vierden we oud en nieuw bij elkaar en pasten we op elkaars kinderen als er weer eens een ziekenhuisbezoek of een begrafenis was.

We waren nooit van die vrienden die elke dag bij elkaar over de vloer hingen. Daar zijn we allemaal te nuchter voor. Maar als er iets was, belde je. Zonder veel uitleg.

Toen Kees twee jaar geleden met vervroegd pensioen ging, was Henk net een halfjaar eerder gestopt. Kees had plannen voor zijn moestuin, zijn oude motor en oppassen op onze kleindochter Noor. Henk raakte juist, denk ik, een beetje zoekende. Hij zei dat hij na veertig jaar vergaderen en dossiers afvinken eindelijk iets wilde doen dat “echt verschil maakte”.

Via een oud-collega kwam hij in contact met een stichting in de Algarve. Een dorpje landinwaarts, veel oudere mensen, weinig vervoer, jongeren die wegtrekken. Henk wilde daar met lokale mensen een kleine ontmoetingsruimte opzetten, met computers, Nederlandse vrijwilligers in de winter, hulp bij formulieren, dat soort dingen. Hij kon er prachtig over vertellen. Ik zag hem weer opleven.

In het begin vond ik het vooral een goed idee. Marijke minder, geloof ik. Zij zei dingen als: “Eerst maar eens kijken hoe het loopt,” terwijl Henk al plattegronden op zijn iPad liet zien.

De vraag om geld kwam tijdens een etentje bij ons thuis. We hadden stoofvlees gemaakt en Marijke had tiramisu meegenomen, veel te veel zoals altijd. Het was een gewone zaterdagavond. Henk had al twee glazen wijn op toen hij vertelde dat er een pandje beschikbaar kwam dat ze konden huren en opknappen.

“Als we dit met z’n vieren doen,” zei hij, “dan hebben we iets wat blijft. Geen vakantiehuis, geen gedoe. Gewoon iets goeds.”

Hij noemde een bedrag van twintigduizend euro per stel.

Ik weet nog dat ik naar de schaal met sperziebonen keek. Alsof ik daar een antwoord in kon vinden. Twintigduizend is voor sommige mensen misschien iets wat ze zonder veel nadenken kunnen missen. Voor ons niet. We hebben spaargeld, ja. Ons huis is bijna afbetaald. Maar Kees’ moeder woont sinds kort in een verpleeghuis in Breda en haar aanvullend pensioen is niet groot. Zijn vader is er niet meer. Mijn eigen vader is 89, woont nog zelfstandig in Hilversum en zegt bij alles dat het prima gaat, maar hij belt mij inmiddels voor dingen die vroeger vanzelf gingen.

Daarnaast willen we Noor en haar broer later graag iets kunnen geven. Niet omdat ze anders niets worden, maar omdat wonen voor jonge mensen zo onmogelijk duur is geworden. Kees zegt altijd: “Als we ze een zetje kunnen geven, doen we dat.”

Hij zei die avond niets meteen. Hij knikte alleen en vroeg hoe het juridisch geregeld zou worden, wie er verantwoordelijk was als de stichting ermee stopte en of Henk zelf ook geld inlegde.

Henk werd daar zichtbaar geïrriteerd van.

“Je kunt alles kapotregelen, Kees.”

“Dat doe ik niet,” zei Kees. “Ik vraag het alleen.”

Een week later zaten we bij Henk en Marijke aan de keukentafel. Geen wijn dit keer. Henk had een map gemaakt met begrotingen, foto’s van het gebouw en een soort missie op de eerste pagina. Kees had er van tevoren al over gepraat met mij. Hij wilde maximaal vijfduizend euro geven, als schenking, zonder verwachtingen. Ik vond dat eigenlijk al gul.

Maar Henk zei dat vijfduizend geen serieuze betrokkenheid was. Hij gebruikte dat woord: betrokkenheid.

Kees werd rood in zijn nek, wat hij altijd krijgt als hij kwaad wordt maar probeert normaal te blijven.

“Mijn betrokkenheid bij jou meet je niet af aan een bedrag,” zei hij.

Henk leunde achterover en zei: “Nee, maar nu er iets van je gevraagd wordt, blijken je kleinkinderen en je eigen portemonnee ineens belangrijker dan alles wat we samen belangrijk vinden.”

👇 Het vervolg vind je in de comments!👇

Adres

Eusebiusplein 1A
Arnhem
6811

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Ons knusse hoekje nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Snelkoppelingen

Delen

Categorie