Uitgeverij Aspekt

Uitgeverij Aspekt Uitgeverij Aspekt werd eind 1994 opgericht en in 1995 verscheen de eerste aanbieding.

Recensie over het boek 'Vrijheid als roeping' van Tonny van der Mee.https://uitgeverijaspekt.nl/product/vrijheid-als-roe...
11/08/2026

Recensie over het boek 'Vrijheid als roeping' van Tonny van der Mee.

https://uitgeverijaspekt.nl/product/vrijheid-als-roeping/
______________________________

De kist die nooit meer dichtging: een leven lang vechten voor vrijheid

Wie de geschiedenis van de Molukkers in Nederland vooral kent van de treinkapingen, de RMS-vlag en de beelden van verhitte demonstraties, krijgt in Vrijheid als roeping een veel groter en menselijker verhaal voorgeschoteld. Historicus en journalist Tonny van der Mee vertelt het leven van Frieda Souhuwat-Tomasoa, maar gebruikt dat leven tegelijkertijd als een venster op ruim een eeuw Molukse geschiedenis. Daardoor is dit boek zowel biografie als familiegeschiedenis, politieke kroniek en geschiedenisles. Het knappe is dat die verschillende lagen elkaar meestal niet in de weg zitten.

Van der Mee opent zijn verhaal niet in Nederland, maar op Nusalaut, het kleine eiland in de Bandazee waar de wortels van Frieda’s familie liggen. Daar staat het standbeeld van Martha Christina Tiahahu, geboren in 1800, die als zeventienjarige deelnam aan de opstand van kapitein Pattimura tegen het Nederlandse koloniale bewind en begin 1818 overleed. Voor Frieda is Tiahahu veel meer dan een historische figuur: zij is het voorbeeld van iemand die zich niet neerlegt bij onrecht. Daarmee zet Van der Mee onmiddellijk het centrale thema van het boek neer. Frieda’s politieke leven is niet alleen een verhaal over de RMS; het is een verhaal over haar bijna instinctieve neiging om partij te kiezen voor mensen die volgens haar onrecht wordt aangedaan.

Dat gevoel voor rechtvaardigheid blijkt diep in haar familiegeschiedenis te zitten. Haar vader Laurens Tomasoa, geboren in 1912, trad in 1938 toe tot het KNIL en raakte tijdens de Japanse bezetting betrokken bij het verzet. Hij werd in 1943 opgepakt en door de Kempeitai gemarteld, ontsnapte uit de gevangenis en raakte in 1944 tijdens een verzetsmissie zo zwaar gewond door een klewang dat hij drie vingers verloor. Na de oorlog zou hij daar nauwelijks over spreken. Juist dat zwijgen wordt in het boek belangrijk: de kinderen krijgen de oorlog niet verteld, maar groeien wel op tussen de littekens ervan. Veel later, op 1 december 1983, neemt Frieda namens haar vader het Verzetsherdenkingskruis in ontvangst. De erkenning komt laat; Laurens overlijdt in 1993. Van der Mee laat overtuigend zien hoe de geschiedenis van de eerste generatie doorwerkt in die van de tweede.

Daarna stapelen de historische omwentelingen zich op. Nederland draagt op 27 december 1949 de soevereiniteit over, op 25 april 1950 wordt de Republik Maluku Selatan (RMS) uitgeroepen en de positie van duizenden Molukse KNIL-militairen wordt vrijwel onhoudbaar. Frieda’s gezin behoort tot de groep die in 1951 naar Nederland wordt overgebracht. Op 19 mei 1951 vertrekt de Goya uit Semarang. Aan boord bevinden zich uiteindelijk 894 Molukkers, onder wie Laurens Tomasoa, zijn vrouw Augustina Lekahena en hun kinderen. Op 15 juni 1951 komt de vierjarige Frieda in Rotterdam aan. Wat een verblijf van enkele maanden had moeten worden, wordt een mensenleven.

Een van de sterkste beelden uit het boek volgt enkele jaren later. De houten KNIL-kisten waarmee het gezin naar Nederland is gekomen, blijven aanvankelijk gesloten. Zolang de kisten dicht blijven, bestaat immers de gedachte dat terugkeer nabij is. Wanneer de Nederlandse overheid in 1956 van de Molukkers verlangt dat zij meer in hun eigen onderhoud gaan voorzien, beseft Laurens dat die terugkeer niet snel zal komen. De kisten gaan open. Voor de jonge Frieda is het verdriet van haar ouders op dat moment onvergetelijk. Decennia later noemt ze juist deze ervaring als een bron van haar eigen strijdlust. Van der Mee maakt van die legerkist terecht een krachtig symbool: niet alleen voor verloren bezit, maar voor een tijdelijk verblijf dat langzaam permanent werd.

Ook de jeugd van Frieda wordt zonder romantisering beschreven. Vanuit woonoord Lunetten, het voormalige Kamp Vught, sturen haar ouders haar bewust naar een Nederlandse school buiten het kamp. Daar wordt ze als enige bruine kind uitgescholden voor ‘chocolaatje’. Haar moeder Augustina weigert zich ondertussen neer te leggen bij de verwachting dat Molukse meisjes genoegen moeten nemen met de huishoudschool. Frieda doet een IQ-test, gaat naar de Mulo en vervolgens naar de HBS. Het zijn ogenschijnlijk kleine episodes naast staatsgrepen, oorlogen en politieke conflicten, maar juist hier wordt duidelijk hoe politiek een mensenleven binnendringt: zelfs de vraag naar welke school een kind mag, blijkt onderdeel te zijn van een veel grotere strijd om autonomie en waardigheid.

Vanaf de jaren zestig komt Frieda zelf steeds nadrukkelijker op het historische toneel te staan. Een beslissend moment is 26 juli 1966, wanneer zij op Schiphol bloemen overhandigt aan Josina ‘Njonja’ Soumokil-Taniwel, de weduwe van RMS-president Chris Soumokil. Soumokil was op 12 april 1966 in Indonesië geëxecuteerd. De negentienjarige Frieda ziet het verdriet van zijn weduwe van dichtbij en beschouwt dit later als het moment waarop de RMS-strijd voor haar werkelijk persoonlijk wordt. Kort daarna wordt Joop Manusama president van de RMS-regering in ballingschap. Hij groeit uit tot haar politieke leermeester en vertrouweling.

Het boek wordt vervolgens onvermijdelijk zwaarder. Van der Mee behandelt de bezetting van de Indonesische residentie in Wassenaar in 1970, de bestorming van het Vredespaleis in 1974, de treinkaping bij Wijster in 1975 en uiteindelijk De Punt en Bovensmilde in 1977. Frieda staat opvallend vaak dicht bij het vuur. Haar broer Ferry Tomasoa behoort tot de 33 actievoerders in Wassenaar. Tijdens de gijzelingsacties van 1975 spreekt Frieda samen met Manusama met de Nederlandse regering. In 1977 is zij de enige vrouw en het jongste lid van het Molukse crisisteam dat met de regering probeert een oplossing te vinden.

Van der Mee doet er verstandig aan Frieda daarbij niet achteraf tot een keurige, geweldloze heldin te polijsten. Haar opvattingen zijn soms fel, soms tegenstrijdig en veranderen. Ze begrijpt de woede achter radicale acties, terwijl ze het doden van onschuldigen afwijst. Bij Wijster veroordeelt ze de executies van machinist Hans Braam en de passagiers Leo Bulter en Bert Bierling. De bestorming van De Punt op 11 juni 1977, waarbij zes kapers en twee gegijzelden omkomen, grijpt vervolgens zo diep in dat Frieda daarna ongeveer een jaar thuiszit met een burn-out en zichzelf blijft afvragen of ze als bemiddelaar meer had kunnen doen. Juist die twijfel maakt haar als hoofdpersoon geloofwaardig. Ze heeft overtuigingen, maar Van der Mee laat zien dat overtuigingen niet hetzelfde zijn als eenvoudige antwoorden.

Misschien wordt het boek zelfs interessanter wanneer de rook van de jaren zeventig optrekt. Frieda ontdekt dat een vrijheidsstrijd niet alleen met vlaggen, demonstraties en grote woorden wordt gevoerd. Ze leert internationaal lobbyen bij onder meer Pax Christi en de Unrepresented Nations and Peoples Organization (UNPO). Op 6 augustus 1991 wordt de RMS officieel lid van de UNPO; Frieda reist daarna jarenlang naar Genève en andere internationale bijeenkomsten om de Molukse zaak en andere onderdrukte volkeren onder de aandacht te brengen. Uiteindelijk komt ze binnen de UNPO in het uitvoerend comité terecht en is zij rond de millenniumwisseling zelfs in beeld voor het secretariaat-generaal.

Dat internationale werk verandert ook haar denken. Ze leert dat je uiteindelijk juist met een tegenstander moet praten. Een fascinerend hoofdstuk beschrijft haar ontmoetingen met Indonesische politieke leiders nadat het regime van Soeharto in 1998 ten einde komt. In september 1999 spreekt zij in Den Haag met Abdurrahman Wahid, ‘Gus Dur’. Een maand later reist een Molukse delegatie naar Jakarta en spreekt daar onder anderen president B.J. Habibie, generaal Wiranto, Amien Rais en Megawati Soekarnoputri. Wat decennia eerder vrijwel ondenkbaar leek – een prominente RMS-activiste die rechtstreeks met de Indonesische politieke top spreekt – gebeurt daadwerkelijk.

Dat leidt tot een van de interessantste conflicten in Frieda’s eigen politieke kamp. RMS-president Frans Tutuhatunewa, die Manusama in 1993 is opgevolgd, weigert volgens haar principieel met Indonesië te onderhandelen. In 2001 is voor Frieda de maat vol en stapt zij samen met Otto Matulessy op. Haar conclusie is even eenvoudig als veelzeggend: zonder dialoog bereik je niets. Daarmee ontwikkelt de jonge activiste van de jaren zeventig zich tot iemand die haar eigen beweging durft te vertellen dat onverzettelijkheid ook verlamming kan worden.

Dat Van der Mee deze ontwikkeling zichtbaar maakt, is een belangrijke kwaliteit van het boek. Vrijheid als roeping is daardoor geen eenvoudige heldenbiografie. Frieda blijft overtuigd van het recht op Molukse zelfbeschikking, maar ze is op hoge leeftijd minstens zo kritisch over de stilstand binnen de eigen beweging. In het slothoofdstuk, dat zich afspeelt in 2026, kijkt ze naar de armoede, corruptie, gebrekkige infrastructuur en beperkte kansen voor jongeren op de Molukken en vraagt ze zich af wat vrijheid in de praktijk eigenlijk betekent. Alleen ‘RMS merdeka’ roepen is volgens haar niet genoeg; onderwijs, economische ontwikkeling, het beschermen van grond en concrete lokale projecten zijn minstens zo belangrijk.

Van der Mee heeft bovendien aantoonbaar veel onderzoekswerk verricht. Achter de persoonlijke herinneringen ligt een breed fundament van archiefstukken, veiligheidsdienstendossiers, ministeriële stukken, kranten, televisiearchieven en historische literatuur. Hij raadpleegde onder meer het Nationaal Archief, het NIOD, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Stichting Pelita en BVD-documentatie en interviewde Frieda tussen 2021 en 2026. Dat voorkomt dat het boek alleen op herinneringen van één persoon drijft.

Er is ook een keerzijde aan die rijkdom. De hoeveelheid organisaties, afkortingen, politici, commissies, regeringen in ballingschap en interne Molukse conflicten is enorm. Soms wil Van der Mee bijna niets van zijn gevonden materiaal prijsgeven, waardoor het verhaal tijdelijk meer kroniek dan biografie wordt. De woordenlijst en lijst met afkortingen achterin zijn dan geen luxe. En omdat Frieda onmiskenbaar het middelpunt is, beleeft de lezer controversiële gebeurtenissen vaak nadrukkelijk door haar ogen. Dat is geen tekortkoming zolang men het boek leest voor wat het is: de geschiedenis van de Molukse strijd door één uitzonderlijk leven heen, niet de definitieve neutrale geschiedschrijving van de RMS.

Juist daarom blijft Vrijheid als roeping hangen. De grote geschiedenis krijgt een gezicht. Achter jaartallen als 1950, 1951, 1966, 1970, 1975 en 1977 zitten opeens ouders die huilend een legerkist openen, een meisje dat op school wordt gepest, een jonge vrouw die Njonja Soumokil met bloemen opwacht, een onderhandelaar die tegenover Nederlandse ministers zit en later een bijna tachtigjarige vrouw die zich afvraagt of haar beweging niet meer moet doen dan het verleden herdenken.

De titel blijkt uiteindelijk precies gekozen. Voor Frieda Souhuwat-Tomasoa is vrijheid geen onderwerp waarover zij zich af en toe heeft uitgesproken. Het is de rode draad door bijna haar hele bestaan. En Van der Mee laat overtuigend zien hoeveel een mens voor zo'n overtuiging kan opofferen – maar ook hoe een ideaal moet veranderen om levend te blijven.

- Felix West

Auteur: Tonny van der Mee
Titel: Vrijheid als roeping – Het verhaal van Frieda, een Molukse strijder voor rechtvaardigheid
Uitgever: Uitgeverij Aspekt, 2026
ISBN: 9789464874891
Aantal pagina’s: 285
Uitvoering: paperback

Adres

Amersfoortsestraat 27
Soesterberg
3769AD

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Uitgeverij Aspekt nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Contact

Stuur een bericht naar Uitgeverij Aspekt:

Snelkoppelingen

Delen

Type